• sarahvdmaas

Nevelzee



We gingen naar Ameland. In een lege bus reden we door een versluierd landschap richting de kust. De veerhaven aan de rand van de wereld eindigde in een melkwitte waas. Ergens uit de erwtensoep werd een loopplank gestoken. Niet veel later voeren we blind de Waddenzee op. Er was geen water. Of was er niets dan water? De nevel slokte alle tijd op. Waar we heen gingen, konden we niet onderscheiden; waar we vandaan kwamen, zagen we niet. Boei na boei schoof ons vanuit het ongewisse voorbij en verdween in het verschiet. Een meerpaal. Het havenhoofd. Toen we aan land waren, had ik het gevoel dat ik op poolijs stond. Mist – het doet iets met je hoofd. Het dempt de geluiden en baarmoedert de wereld. Je vaart op de tast. Met elke golf splijt de horizon open, terwijl hij zich achter je sluit. Je koerst wel, maar je komt nergens – of zo voelt het tenminste. Niet zien kan ons angst aanjagen. We staan nu eenmaal graag op de brug van ons eigen leven om bestek op te maken. Een betrokken hemel geeft ons het idee dat we stuurloos zijn. Maar aan de andere kant brengt een gebrek aan vooruitzicht soms ook een stille hoop met zich mee. Wie weet welke beloften er aan de andere kant van de nevelzee liggen?


Soms voelt januari als een veerhaven. Het nieuwe jaar ligt voor ons open, zo plegen we rond deze tijd wel te zeggen, en in gedachten vullen we de kalender al in: examens doen, voor de tweede keer afrijden, zomervakantie in Ermelo. We denken dat de toekomst van matglas is, waardoor je weliswaar vaag, maar toch herkenbaar de dagen kunt zien liggen. Misschien dat januari daarom bij uitstek de maand is van voornemens en grote plannen, van een nieuwe koers en helemaal anders. We staan in het kraaiennest van de tijd, vanwaar we mijlenver om ons heen kunnen kijken: na ons het kielzog van het verleden, voor ons de boeien die we voor onszelf hebben uitgegooid. We zien de hekgolf achter ons wegrollen, onverbiddelijk in de ruimte verloren. De twijfel slaat toe. Spijt bekruipt ons als het tij. Is dit wat het is? Kan het roer nog om? Met alle mogelijkheden die we hebben, zijn we steeds minder tevreden. De vrees om iets te missen wat binnen ons bereik ligt, werkt verlammend op ons geluk. In gedachten zien we onszelf backpackend in Thailand, de kippen voerend op een boerderijtje in Twente, de was ophangend voor een man die zelf zijn overhemden strijkt. We hebben duizend ikken die we hadden kunnen wezen, als we maar of als we niet – en het liefst willen we ze allemaal tegelijk zijn.


Op zulke momenten verlang ik naar de mist. Grond onder je voeten. Hemel om je heen. De onbereikbare verten verhuld, de steile diepten aan het zicht onttrokken. Geen voor, geen achter, alleen hier. Je bent je eigen eiland. Je ziet alleen jezelf. ‘In het moment leven’ is een populaire uitdrukking die in onze kringen niet geheel onverdeeld positief wordt ontvangen. Het riekt naar oosterse meditatie en ‘na ons de zondvloed’. Maar ook voor een behoudend christen is er meer tussen ‘pluk de dag’ en ‘gedenkt te sterven’. In het moment leven, dat is niet voor het vaderland weg. Het is een oefening in nachtvliegen. De ene voet voor de andere zetten. Het pad vertrouwen. Mensen van de weg zijn. We zouden wat meer moeten nevelen. Ophouden met turen, met gissen, met preppen. Laat je zicht gerust indammen, je blikveld omfloersen. Wat je verwaast, kan je niet spijten. Je weet niet wat je mist.



Deze tekst is eerder verschenen in het RDMagazine van 22 januari 2022









49 weergaven0 opmerkingen

Recente blogposts

Alles weergeven

Podding

Fuif