top of page

Koppensnellen

  • Foto van schrijver: sarahvdmaas
    sarahvdmaas
  • 3 dagen geleden
  • 3 minuten om te lezen

De kop is eraf: de winter vergangen, de ”r” uit de maand, de zwaluwen weergekeerd en de laatste bollen genekt. Of, zoals de Nuon Zomergids jaren geleden eens meldde: „De tijd van zonder jas en voeten in het gras is weer aangebroken.”

Niet alleen op de tulpenvelden worden namelijk koppen gesneld. Ook eindredacteuren durven nogal eens rigoureus in hun headlines te snoeien. In een wereld die steeds vlugger en vlugger draait, is kort en krachtig immers het devies. Dat er daarbij wel eens iets te laconiek in de krantenkoppen geknipt wordt, neemt menig lezer voor lief – en niet zonder risico. Zo kijkt geen mens meer op van de zinsnede ”Taliban eist aanslag Afghanistan op”, terwijl me dat toch wat moois zou zijn: eerst een staaltje terreur weggeven en het vervolgens durven terugvorderen. Dat het niet om de daad zelf, maar om de verantwoordelijkheid ervoor gaat, moet de argeloze abonnee blijkbaar maar zelf invullen.



Het is niet om het even welk woord je uit een kop weglaat. Zelfs schijnbaar onbeduidende voorzetsels als ”van” en ”op” laten zich zelden straffeloos naar de marge drijven. Toen de NOS afgelopen maart bijvoorbeeld meedeelde dat ”Denemarken Amerikaanse inval Groenland voorbereidde”, zorgde dat voor meer dan één gefronste wenkbrauw. Geen wonder dat steeds meer mensen het nieuws liever mijden. Wie wordt er tenslotte nog wijzer van ”Politie haalt arm jongetje uit maag alligator” of ”Verhuur kleine kantoorruimtes in de lift”?

Soms maakt één woord een wereld van verschil. Gelukkig komt het niet altíjd zo nauw. In het dagelijks spraakgebruik kun je zelfs vrij eenvoudig een paar woorden inslikken zonder direct een Babylonische spraakverwarring te creëren. ”Heel goed, en met jou?” is een volkomen legitiem, hoewel afgeknot antwoord op de vraag hoe het met iemand gaat, net als ”z’n gangetje” of ”druk druk druk”. Sterker nog: in veel gevallen hoef je niet eens uit te spreken wat je wilt zeggen. Veel mensen vinden direct taalgebruik namelijk maar lastig. Het liefst omkleden we onze boodschappen met indirecte termen: omdat we niet recht voor z’n raap durven te zijn of willen klinken als een drilsergeant, of omdat dat wat we werkelijk willen zeggen, ons te sentimenteel of kwetsbaar in de oren klinkt. We zeggen niet zo makkelijk ”het spijt me” of ”ik hou van jou”. Het is nu eenmaal eenvoudiger om iemand ”je das zit scheef” toe te fluisteren dan ”ik ben trots op je”.



Taal is dan ook veel meer dan woorden met een functie: het is een tulpenveld waaronder de groeikern van onze intenties schuilgaat. Niet dat wat zichtbaar is, maar wat eronder zit is werkelijk van waarde. We kunnen woorden rooien zonder iets van hun betekenis af te doen, of ze zo planten dat hun ware aard bedekt blijft. Vaak staat de ene zin ondergronds borg voor de andere. Een goed verstaander is een koppensneller: hij luistert zich dwars door het maaiveld heen.

Daarmee is taal vooral een kwestie van vertrouwen. Het is een lijn die je uitgooit in de verwachting dat iemand hem vangt en weer terugwerpt: een net dat zich sprekenderwijs om zijn betekenis weeft. Het benadert de werkelijkheid, maar nooit ten volle; het is een zorgvuldige dans om je bedoelingen heen. Taal is een thermostaat waarmee je je woorden kunt versterken of afzwakken. Het is een zacht nest om een scherpe boodschap heen vlijen of je tong in zwavelzuur dopen, een muurtje om achter te schuilen of een hand die over de barricades reikt. Taal is plamuren, repareren, poetsen, strijken. Vaak is taal niet de brief, maar de heraut. Soms is taal zeggen wat je niet kunt zeggen. Soms is taal ”geeft niet” en ”ik ook van jou”.



Deze tekst verscheen eerder in het RDMagazine van 30 mei 2026.

Recente blogposts

Alles weergeven

Opmerkingen


  • Instagram - White Circle

© 2020 by Sarah van der Maas.

bottom of page