top of page
  • Foto van schrijversarahvdmaas

Hondenwacht



Op sommige zinnen kun je de klok gelijk zetten. „Wil je me dragen?” – als je, bepakt voor een lange wandeling, de parkeerplaats goed en wel hebt verlaten. „Zijn we er al?” wanneer je het eerste tankstation richting Oostenrijk passeert. Mijn eigen alternatieve kalender wordt gevormd door het halfjaarlijkse mailtje van mijn alma mater met het verzoek om, wil ik toegang blijven houden tot de online-universiteitsbibliotheek (die ik nimmer gebruik), mijn wachtwoord te vernieuwen (wat ik nooit durf te weigeren).

Sinds we allemaal heer en meester zijn in onze digitale burchten, worden we dagelijks met wachtwoorden om de oren geslagen. De virtuele viersterrenwacht is onverbiddelijk: wie na drie pogingen nog altijd niet op zijn trouwdatum of de naam van zijn eerste hamster kan komen, krijgt niet alleen een deuk in zijn eigenwaarde, maar ook de valbrug op zijn neus.

De torenwachter van weleer deed nog meer dan toegang verlenen of weigeren. Vanuit zijn hoge zitplaats onder de klokkenstoel waakte hij tevens over de tijd. Op zijn wenk klepte de klepel bij brand en begrafenissen, sloeg bij uren en kwartieren en luidde bij herdenkingen en hoogtijdagen.



Tegenwoordig hebben we geen klokslagen meer nodig om te weten dat de kerstnacht eraan zit te komen. Er is niemand zo goed in advent als wij. Wie in augustus ontdekt dat zijn T-shirts te klein zijn geworden, vindt in de winkel enkel winterjassen en wollen wanten. En wie op de ochtend van 5 december nog gauw een kilo kruidnoten wil halen, treft daar slechts hazen in plaats van Klazen.

Van alle soorten feestvreugde lijken we voorpret het hoogst in het vaandel te hebben staan. Als poortwachters waken we bij de uiterste grenzen van het moment. Reikhalzend buigen we ons over de transen. ”Hij komt, hij komt!” is de leus zodra we aan de kim ook maar de minste beweging ontwaren – onverschillig of het de stoomboot, de eerste dag van de lente of maatjesharing met uitjes is.

Al met al lijkt het alsof we het wachten dus aardig onder de knie hebben, maar niets is minder waar. Want amper zien we een nieuwe stip aan de horizon, of we staan zelf al ante portas, gezadeld te paard, klaar om dat wat komt in volle vaart tegemoet te stormen in plaats van kalmpjes zijn komst af te wachten. We leven in een voorproefjescultuur. Teasers en trailers, amuses en antipasti, voorverkoop en vroegevogelkorting worden van stal gehaald om ons trappelend ongeduld te laven. We zijn als kinderen die keer op keer de keuken binnensluipen en een likje van de slagroomtaart nemen, om er bij theetijd achter te komen dat er enkel nog kale cake over is. De kerstdagen strijken we zo zorgvuldig over de weken uit dat we het wonder nauwelijks nog proeven.



Toch stond december niet altijd bekend als de maand van het licht. Van oudsher is de adventsperiode een tijd van boete en inkeer, een stilstaan bij de vergankelijkheid, de plechtige preparaties voor de komst van het Kind: geen viering maar een vastentijd. Waar we tegenwoordig het liefst als omgekeerde wijzen richting het oosten reizen, de zon tegemoet, is de adventstijd van oorsprong een herdershommage. Het is een tijd om de nachtwacht te houden. Donker dat schreeuwt om het licht. Geen opmaat naar meer van hetzelfde, maar de overgang naar een verblindend contrast. Het is staren naar de horizon, je ogen samenknijpen, turen, luisteren, smeken, bidden. Het is wakker zijn waar de wereld slaapt, het zijn de zwartste uren voor zonsopkomst, het is de hondenwacht. En juist in dit diepste donker fluisteren we elkaar onze wachtwoorden toe. Hou vol. We zijn er bijna.



Deze tekst is eerder verschenen in het RDMagazine van 25 november 2023

125 weergaven0 opmerkingen

Recente blogposts

Alles weergeven

Alias

bottom of page