top of page
  • Foto van schrijversarahvdmaas

Hemelrijk



Kunstenaar zijn is een gevaarlijk beroep – de meeste artiesten overleven het niet. Ze worden geboren met het palet in de hand en gaan al voortbrengend ten onder. Ze kunnen hun scheppingsdrang niet afleggen, zoals een vuilnisman zijn handschoenen of een rechter zijn toga. Hun talent kleeft hen aan als een zesde zintuig: een oog dat ze niet kunnen sluiten, een oor dat ze niet kunnen dichtstoppen. Er zit iets onuitroeibaars in hun gave. Kunstenaar ben je voor het leven.

Claude Monet had de pensioengerechtigde leeftijd al lang en breed achter zich gelaten toen hij zijn 250e waterlelieschilderij voltooide. De beeldhouwer Michelangelo werd met zijn 71 jaar nog als architect voor de Sint-Pieter te Rome aangetrokken. En onze eigen sprookjesschilder Anton Pieck zat tot over zijn oren in het illustratiewerk toen hij, bijna veertig jaar geleden, op 92-jarige leeftijd overleed. Zijn laatste, onvoltooide tekening was een prent voor een kalender. ”Zwarte Bijlsteeg, Amsterdam ca. 1900”, heette het werkje.



Ook de Zwarte Bijlsteeg is al lang ter ziele, net als tientallen andere stegen in Amsterdam: gesloopt, gesaneerd, gerenoveerd. Van Piecks kenmerkende kneuterigheid was trouwens toch al weinig te bespeuren. De Zwarte Bijlsteeg maakte rond de vorige eeuwwisseling deel uit van het Hemelrijk: een sloppenwijk in de schaduw van de lutherse Koepelkerk, waar tot de jaren 20 honderden mensen in krappe achterkamers en vochtige kelderwoningen als duiven in een til woonden. „In dat Hemelrijk, een doorgang, gevormd door smerige, verflooze, oude huizen, is geen ruimte voor twee personen. Als ganzen achter elkaar moet men er loopen. In dat Hemelrijk, in dien smallen huizenkoker, komt geen licht, geen straal van zon, geen frissche lucht”, meldt een artikel in het Geïllustreerd Zondagsblad van dagblad De Echo uit 1905. Dit was het domein van het grauw: krijsende kinderen, vechtende vrouwen, laveloze lieden, en de geur van gelaten wanhoop die met de koollucht uit het trappenhuis wasemde.

Stegen hebben van oudsher een slechte –zij het vaak schilderachtige– naam. Het schemerduister van hun hoge, blinde muren omhult hen met een vleugje van mysterie. Wat speelde zich af in de Salamandersteeg, de Olifantsgang, het Vuileweespad, de Dollebegijnensteeg, de Stille Willemsgang? Honderd jaar geleden vormden ze het doek waarop zich de bonte taferelen van schreeuwende armoede aftekenden – vandaag de dag liggen ze in gedempte schaduw, uitgestorven op het eerste gezicht, versperd door opoefietsen, vergeten door het grote publiek.

Ver weg van het rumoer van auto’s en trambellen vormen ze de haarvaten van de stad; in het ruisen van hun stilte hoor je het hart van de metropool kloppen. De regelmatige slag van een hamer. Een piano uit een open raam. Katten buigen zich lenig om geschilferde hoeken en wandelen met geruisloze gratie over de bemoste muren. Het licht valt hier anders, smaller, steiler. De lucht lijkt er hoger en verder, als uit een andere wereld. Goten en gevels omlijsten de hemel. Schilderijen van wolken zweven in stilte voorbij.



Soms zijn er kaders nodig om de schoonheid van het alledaagse terug te vinden. In de sleur van het werkende, zorgende, rennen-en-vliegende leven manifesteert het geluk zich niet altijd vanzelf. Zonder raamwerk glijdt het dikwijls onopgemerkt langs ons heen.

Het vergt een schildersblik om het sprookje in de sloppen te zien. Een vrouw die leest achter een venster, een openstaande deur, een boom die bloesemt op een binnenplaats: een onverwacht doorkijkje is als een kader dat over het leven gelegd wordt en uitlicht wat in de banaliteit ten onder dreigt te gaan. Het maakt van elke fruitschaal een stilleven, van elke moeder een madonna, van elke achterbuurt een hemelrijk.

Kunst is leven met een lijstje eromheen.



Deze tekst is eerder verschenen in het RDMagazine van 11 mei 2024


33 weergaven0 opmerkingen

Recente blogposts

Alles weergeven

Ork

Alias

Comments


bottom of page