• sarahvdmaas

Geesteskinderen




Als kind verkeerde ik in de onuitgesproken overtuiging dat ik de Tweede Wereldoorlog maar nét was misgelopen. Ik groeide op met Daan en Sietze en Reis door de nacht, speelde onderduikertje op zolder en schaterde om moppen over Goebbels en Göring. Voor mij bestond er maar één oorlog – ik tekende zelfs Duitsers in Irak.

Maar ook toen mijn historische kennis me inhaalde, konden eerdere strijdperken me niet echt boeien. Voor mijn gevoel grensde alles van vóór 1940 aan de Middeleeuwen en de pruikentijd – stoffig, oud en heel ver van mijn bed.

Tot mijn vader mij, mijn broertje, opa en oma tien jaar geleden meenam naar Ieper, België. Dwalend tussen de gereconstrueerde loopgraven, het prikkeldraad en de klaprozen ging er langzaam maar zeker een wereld voor me open. Omringd door foto’s van soldaten, de meesten niet veel ouder dan ik, moest ik mijn onbewuste vooroordelen één voor één aan de kant zetten. Deze jongens zagen er niet uit alsof ze uit de Renaissance waren weggewandeld. Daarvoor staarden ze me vanonder hun helmen en zwachtels veel te indringend aan.

Wat moet dat geweest zijn, dacht ik, om zo in twee werelden te leven: één normale en één totaal krankzinnige? Als je bij het binnenkruipen van je tank niet weet of je het daglicht ooit nog terug zal zien? En als vanzelfsprekend was daar de gedachte die me destijds zo ongeveer wekelijks besprong: ‘Daar ga ik een boek over schrijven.’

Als vijftienjarige had ik inmiddels genoeg zelfkennis om te beseffen dat ‘een boek’ wel iets meer inhield dan wat ik tot dan toe meestal had gedaan, namelijk: een hoofdstukindeling maken, een voorkant ontwerpen en dan de cursor achterna schrijven. Ik besloot dus de ideeën die me te binnen schoten te noteren en het echte schrijven te bewaren voor een tijd waarin ik genoeg (levens)ervaring zou hebben om er iets Heel Goeds van te maken.

En misschien was dat maar beter ook.





Was Nooit meer wachten tussen 2010 en 2019 verschenen, dan had het verhaal er nét even iets anders uitgezien. Broers die zoekraakten, tramstakingen, excentrieke tantes en, om maar een detail te noemen, zes à zeven hoofdpersonen.

Natuurlijk was er Gabriel, het jongetje dat tussen het puin van zijn dorp woonde en brieven verzamelde van soldaten die ze niet meer nodig hadden. Ook Ralph-die-naar-de-overkant-wil was van de partij, net als zijn kameraad Sid en diens moeder. Gladys Hudson heeft vanaf het thuisfront zelfs jarenlang haar eigen, volledig uitgeschreven verhaallijn gehad voor ze uiteindelijk na een genadeloze revisieronde het onderspit moest delven. Meer vrouwelijk schoon was er in de vorm van het Belgische meisje Felicia Bloemendaal, die aanvankelijk in haar internaat en later vanuit Engeland droomde van een avontuurlijk en romantisch leven. Een brievencorrespondentie met het front leek uitkomst te bieden, maar ook Felicia stierf een tragische literair-technische dood voor ze haar vurig gewenste soldaat in de armen kon sluiten. Hetzelfde lot leek de Engelse kapitein Steven D. Millington, alias ‘Cycloon Stevie’, beschoren, maar hij reïncarneerde te elfder ure tot Australiër, zodat hem in een bijrol toch een paar bladzijden speeltijd is vergund. Wat er met de oude Britse majoor Clarence Covington en zijn zojuist overleden vrouw Alice is gebeurd, mag u raden…


Het valt niet mee om je geesteskinderen één voor één te zien sneuvelen. Maar liefst zevenenvijftig personages en een handvol onschuldige voorbijgangers haalden uiteindelijk de drukpers niet. Nooit zullen Ray Steffords bloemkolen, het houten been van Lewis Palmer, de rammelende groene Sunbeam van Janet Peterson en lijn 12 van Hettonbrook het daglicht meer aanschouwen.

Soms kwelt me het schuldgevoel, ’s avonds, op bed.

Schrijven is ook een beetje oorlog.

63 keer bekeken0 reacties

Recente blogposts

Alles weergeven

Schimmen

Mascotte