• sarahvdmaas

Aan de andere kant van de deur



„Denk je weleens na voordat je een deur opendoet? Je weet nooit echt wat er is aan de andere kant. Je denkt het te weten, maar zéker weet je het pas als je de deur hebt geopend. Ga eens je kamer uit door de deur te openen op de goede manier, op de juiste tijd, en zie waar je dan komt…”

Zo begint de achterflap van een van de boeken van de grande dame van Nederlandse jeugdliteratuur en meesteres van de andere werelden, Tonke Dragt. In ”Aan de andere kant van de deur” belandt de dertienjarige Otto door de deur van zijn slaapkamer in de Januaraanse Ambassade, een plaats waar de klokken wel tikken maar geen wijzers hebben. Een alternatief universum? Een poort naar de verre toekomst? Tijdreizen leek nog nooit zó aantrekkelijk. Na een jaar waarin we onszelf als zelfverklaarde Doornroosjes (al dan niet vrijwillig) in onze virusvrije bolwerken hebben opgesloten, zou ik er niets op tegen hebben als er me achter, zeg: de kelderdeur, geen blikken soep en paprikachips, maar een draaitrap naar Elders of een lift naar Foetsie wachten. Nu de beweging binnen onze drie dimensies nog altijd wordt beperkt, hoor ik steeds meer mensen mijmeren over de mogelijkheid om door de vermeende vierde te toeren. „Oh, twee jaar geleden…” verzuchten ze, of: „Als dit allemaal voorbij is…”


Te midden van je ruziënd kroost of het dreunen van de droger vergeet je soms dat je ook vóór je torenjaren weleens wenste met een druk op de knop terug in de tijd te worden geslingerd. Zo’n kleine eeuw geleden, een era die genoeg op de onze lijkt om er het tegenbeeld van te zijn. Typemachines, stoomboemels, met de zon opstaan en slapengaan. Toen het leven langzamer ging en het werk nog een menselijke maat had. Waaruit maar weer eens blijkt dat het hier en nu altijd een ondergeschoven kindje is geweest – want juist in het begin van de twintigste eeuw keek men reikhalzend uit naar de in staal gegoten toekomst. Het luie leven van de grootgrondbezitters, die al croquet spelend en fazanten jagend door hun dagen slenterden, was voor de gewone man misschien nog niet weggelegd, maar de techniek zou daar verandering in brengen. In de fabrieken namen rolbanden en machines de arbeider letterlijk het werk uit handen. Een handelskantoor had geen pakhuis meer nodig om zijn winst uit te tellen. En ook voor Jan met de pet stonden volgens prospectussen en sciencefictionschrijvers de meest fantastische uitvindingen op stapel. Studebakers met verchroomde velgen. Zelfslingerende wasautomaten. Je eigen mechanische butler. In de toekomst zou iedere burger een Engelse landlord worden, met niets beters te doen dan de tijd te doden.


Maar tijdwinst is niet zelden een illusie. Er zijn geen voorraadzolders voor dag en uur. Hoe meer je erachteraan jaagt, hoe verder het bij je vandaan vlucht. Sneller werken betekent vrijwel altijd sneller leven. Het tempo van ons doen en laten daalt en stijgt als een dobber op het peil van de tijd. Daar zitten we dan achter onze tablets, laatste Zoommeeting afgesloten, huisgemaakte espresso bij de hand, ons blindstarend op een ons altijd voor ogen schemerend werkschema of agendablad. Waar zijn de zeeën van tijd gebleven die de techniek ons beloofde? Of misschien: waar is onze vrijmoedigheid om er gebruik van te maken? Laten we onze blik eens losscheuren van de nevelige verten van verleden of verschiet. Loop eens je slaapkamerdeur door om simpelweg je vertrouwde bedvertrek binnen te stappen. Gooi de tuindeuren open en zie je bloedeigen azalea’s. Wij trekken niet door de dagen, maar de dagen door ons – en we zijn nu eenmaal geen racecircuit. Tijdreizen doe je met zestig seconden per minuut.



Deze tekst is eerder verschenen in het RDMagazine van 6 maart 2021.

31 keer bekeken0 reacties

Recente blogposts

Alles weergeven

Retour

Omslag